Tuesday, December 5, 2006

Twee gedichten van Judith Herzberg

Beemdgras en zachte dravik

Dit, dan, is wat wij maken:
in Juni als de weiden gloeien
van boterbloem, zuring, klaver
en bloeiende kniehoge grassen;
een grasbouquet, in een theepot
in het gras gezet. Met onbedroefde
kinderogen vlak voor de voeten
kijken, een van de vroege
genoegens die wij delen.
Dit, dan, wat we van
ons durven verwachten:
gras, in een blauwe theepot,
apart, tussen het groeiend
uitbloeiend, doorlevend gras gezet.

Uit: Beemdgras. 6e dr. Amsterdam, 1987.


Vis

Als ik een vis was wist ik wel
hoe ik moest zwemmen, zachtjes door het water
wimpelen en met een wending remmen.
Ach waarom voel ik wat nooit voor mij
bedoeld is in mijn ruggegraat terwijl ik
toegerust als mens, zo moeilijk
door de kamers waad.

Uit: Zoals. Amsterdam, 1992.